Taalgids Frans

Uit Wikivoyage
Onderwerpen > Taalgidsen > Taalgids Frans
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Frans is een Romaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Frankrijk, de regio's Wallonië en Brussel in België, Zwitserland en een veelvoud aan landen in de Caraïben, Frans-Polynesië en Afrika.

Grammatica[bewerken]

De Franse grammatica is niet zeer ingewikkeld. Hier volgt een klein overzicht:

Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden[bewerken]

Zelfstandig naamwoord en bepaald lidwoord Zelfstandig naamwoord en onbepaald lidwoord
  enkelvoud meervoud
mannelijk le mot les mots
mannelijk voor klinker of h* l'homme les hommes
vrouwelijk la rue les rues
vrouwelijk voor klinker of h* l'animation les animations
  enkelvoud meervoud
mannelijk un mot des mots
mannelijk voor klinker of h* un homme des hommes
vrouwelijk une rue des rues
vrouwelijk voor klinker of h* une animation des animations
* LET OP! bij leenwoorden en eigennamen zoals hockey en Hollande
wordt de h uitgesproken en dus als volwaardige medeklinker gezien.
Bij deze woorden komt dan ook niet l' maar le of la.

Werkwoorden[bewerken]

In het Frans zijn er verschillende soorten werkwoorden:

  • regelmatig op -er
  • regelmatig op -re
  • regelmatig op -ir
  • onregelmatig

Regelmatige werkwoorden[bewerken]

Présent (onvoltooid tegenwoordige tijd)[bewerken]

op -er, -re en -ir

Présent (onvoltooid tegenwoordige tijd)
Werkwoord op -er
regarder (te) kijken
je regarde ik kijk
tu regardes jij kijkt
il/elle/on regarde hij/zij/men kijkt
nous regardons wij kijken
vous regardez jullie kijken / u kijkt
ils/elles regardent zij kijken
Werkwoord op -re
attendre (te) wachten
je attends ik wacht
tu attends jij wacht
il/elle/on attend hij/zij/men wacht
nous attendons wij wachten
vous attendez jullie wachten / u wacht
ils/elles attendent zij wachten
Werkwoord op -ir
finir (te) eindigen
je finis ik eindig
tu finis jij eindigt
il/elle/on finit hij/zij/men eindigt
nous finissons wij eindigen
vous finissez jullie eindigen / u eindigt
ils/elles finissent zij eindigen

Opmerking: De werkwoorden op -ir hebben een iets afwijkende vervoeging dan de andere regelmatige werkwoorden, bij het meervoud van de werkwoorden komt er bij de stam altijd -iss bij. Dan ziet de vervoeging er als volgt uit: Stam + iss + uitgang.

Imparfait (onvoltooid verleden tijd)[bewerken]

De imparfait (onvoltooid verleden tijd) wordt altijd op dezelfde manier gevormd bij alle werkwoorden,être is in de imparfait de enige uitzondering. De imparfait wordt gemaakt door van de Nous-vorm de uitgang -ons te halen (dit is de stam) om vervolgens de uitgangen van de imparfait toe te voegen. Bij het werkwoord être is de stam niet regelmatig, omdat de nous-vorm niet op -ons eindigt, de stam bij être is ét-. Hieronder staan de uitgangen (voor alle werkwoorden) dik gedrukt.

Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
regarder (te) kijken
je regardais ik keek
tu regardais jij keek
il/elle/on regardait hij/zij/het/men keek
nous regardions wij keken
vous regardiez jullie keken / u keek
ils/elles regardaient zij keken
Passé composé[bewerken]

Het voltooid deelwoord wordt op basis van de infinitief gevormd:

  • Infinitief op -er? → Stam + é (Regardé)
  • Infinitief op -re? → Stam + u (Attendu)
  • Infinitief op -ir? → Stam + i (fini)

De hulpwerkwoorden voor de passé composé (voltooid tegenwoordige tijd) zijn in het Frans être en avoir, dus net zoals in het Nederlands zijn en hebben. Soms kan een voltooid deelwoord een ander hulpwerkwoord krijgen dan in het Nederlands, zoals j'ai été (Lett. Ik heb geweest). Zodra het voltooid deelwoord het hulpwerkwoord être heeft, is het voltooid deelwoord 'veranderlijk'. Het voltooid deelwoord gedraagt zich namelijk als een bijvoeglijk naamwoord; zodra één meisje of vrouw dan praat of als over degene gesproken wordt, komt er na de uitgang een extra e. Zodra er meerdere mensen praten of als er over hun gepraat wordt, komt er na de uitgang een s. En als er tot slotte meerdere meisjes of vrouwen praten of als er over hun gepraat wordt, komt er na de uitgang es. Dat ziet er dan zo uit:

  • Je suis tombé. (Geen extra letter, dus een man aan het woord.)
  • Tu es tombée? (Een extra e, wat duid dat Tu hier een vrouw is.)
  • Ma soeur s'est couchée. (Een extra e én de persoon is de zus, hier wordt over een vrouw gesproken.)
  • Nous sommes sorties. (Een extra e én s, nous gaat hier over meerdere vrouwen.)
  • Vous êtes venues. (Een extra e én s, vous gaat hier over meerdere vrouwen.)
  • Les gens sont partis. (Alleen een extra s, dus het gaat over mannen én vrouwen of alleen mannen.)

Onregelmatige werkwoorden[bewerken]

Onvoltooid tegenwoordige tijd avoir en être
avoir (te) hebben
j'ai ik heb
tu as jij hebt
il/elle/on a hij/zij/het/men heeft
nous avons wij hebben
vous avez jullie hebben / u hebt
ils/elles ont zij hebben
Passé composé avoir eu
 
être (te) zijn
je suis ik ben
tu es jij bent
il/elle/on est hij/zij/het/men is
nous sommes wij zijn
vous êtes jullie zijn / u bent
ils/elles sont zij zijn
Passé composé avoir été

Uitspraak[bewerken]

Klinkers[bewerken]

als de Nederlandse a
als de tweede e in weten
É 
als ee
È 
als de eerste e in kennen
als i of j
als o
als u
Ou 
als oe
Eu 
als eu
Au 
als oo
An 
nasaal a
En 
nasaal a of nasaal eerste e van kennen
In 
nasaal eerste e van kennen
On 
nasaal o
Un 
nasaal eu

Medeklinkers[bewerken]

b
s (indien gevolgd door een e, i, of y) of k (indien gevolgd door een a, o of u)
Ç 
s (wordt gebruikt om de C gevolgd door een a, o of u, toch als s uit te laten spreken)
d
f
zj (indien gevolgd door een e, i of y) of Engelse g van go (indien gevolgd door een a, o of u)
stom
zj
k
l
m
n
p
Q(u) 
k
r
s of z
t
v
w
x
i of j
z
Ch 
sj
Ph 
f

Woordenboek[bewerken]

Gebruikelijke uitdrukkingen


OPEN 
Ouvert
GESLOTEN 
Fermé
INGANG 
Entrée
UITGANG 
Sortie
DUWEN 
Poussez
TREKKEN 
Tirez
WC 
Toilet
HEREN, MANNEN 
Hommes
DAMES, VROUWEN 
Femmes
VERBODEN 
Interdit

Basiswoorden[bewerken]

Goeiedag. (formeel
Bonjour. (bonzjoer)
Hallo. (informeel
Salut. (saaluu)
Hoe gaat het? 
Comment allez vous? (komantalee voe)
Goed, dank u. 
Ça va (bien), merci. (sava (bjen), mersie)
Hoe heet u? 
Comment tu t'appelles? (koman-tutapel)
Ik heet ______. 
Je m'appelle ____. (zju mapel)
Aangenaam kennis te maken. 
Heureux de vous rencontrer. (eureu du voe rancontree)
Alstublieft. (aanzoek
S'il vous plaît. (siel-voe pleh)
Alstublieft. (aanbod)
Voilà. (vwala)
Dank u wel. 
Merci. (mersie)
Graag gedaan. 
De rien. (du riejen)
Ja. 
Oui. (oewie)
Nee. 
Non. (non)
Excuseer. 
Excusez-moi. (ekskuuzee mwa)
Het spijt me. 
Je suis désolé. (zju swie deesoolee)
Tot ziens. 
Au revoir. (oo ruvwaar)
I spreek geen ______. 
Je ne parle pas _____. (zju nu parlu pa)
Spreekt u Nederlands? 
Parlez-vous néerlandais? (parlee-voe neerlande)
Spreekt hier iemand Nederlands? 
Est-ce qu'il y a ici quelqu'un qui parle néerlandais ? ( )
Help! 
Aide! (eddu!)
Goeiemorgen. 
Bonjour. (bonzjoer)
Goeienavond. 
Bonsoir. (bonzsaar )
Welterusten. 
Bonne nuit. (bon-nwiet )
Ik begrijp het niet. 
Je ne comprends pas. (zju nu kompran pa)
Waar is de WC? 
Où sont les toilettes? (oe son le twalettu?)

Problemen[bewerken]

Laat me met rust. 
Laissez-moi tranquille. (lessee mwa trang-KIEL)
Raak me niet aan! 
Ne me touchez pas ! (ne me TOE-shee PAH!)
Ik bel de politie. 
J'appelle la police. (zja-PEL lah poo-LIES)
Politie! 
Police! (POO-lies)
Stop! Dief! 
Arrêtez ! Au voleur ! (ah-geh-TEE! o vo-LUIG!)
Help! 
Au secours! (o suh-KOEG!)
Ik heb uw hulp nodig. 
Aidez-moi, s'il vous plaît ! (ei-dee MWAH, siel voe PLEH!)
Het is een noodgeval. 
C'est une urgence ! (set uun uur-ZJANS)
Ik ben verdwaald. 
Je suis perdu. (zjuh swie peg-DUU')
Ik ben mijn tas kwijt. 
J'ai perdu mon sac. (zjee peg-DUU mong sak)
Ik ben mijn portemonnee kwijt. 
J'ai perdu mon portefeuille. (zjee peg-DUU mong pog-te-FUIJ)
Ik ben ziek. 
Je suis malade. (zjuh swie ma-LADE)
Ik ben gewond. 
Je me suis blessé. (zjuh me swie bleh-SEE)
Ik heb een dokter nodig. 
J'ai besoin d'un médecin. (zjee buh-ZWAH dung meed-SEING)
Mag ik uw telefoon gebruiken? 
Puis-je utiliser votre téléphone ? (pwie zjuh uu-tie-lie-ZEE vot-guh tee-lee-FON)

Cijfers[bewerken]

un (uhn)
deux (deu)
trois (trwa)
quatre (kat)
cinq (seink)
six (sies)
sept (set)
huit (wiet)
neuf (nuf)
10 
dix (dies)
11 
onze (onz)
12 
douze (doez)
13 
treize (trijz)
14 
quatorze (kat-ORZ)
15 
quinze (kenz)
16 
seize (sijz)
17 
dix-sept (die-SET)
18 
dix-huit (die-ZWIET)
19 
dix-neuf (diez-NUF)
20 
vingt (vijnt)
21 
vingt-et-un (vijn-tee-UHN)
22 
vingt-deux (vijn-DEU)
23 
vingt-trois (vijn-TRWA)
30 
trente (trant)
40 
quarante (kar-ANT)
50 
cinquante (sijn-KANT)
60 
soixante (swa-SANT)
70 
soixante-dix (swa-sant-DIES) of septante (sep-TANT) in België en Zwitserland
80 
quatre-vingt (katre-VIJNT) of huitante (wie-TANT) in België en Zwitserland (behalve Geneve) of octante (ok-TANT) in Zwitserland
90 
quatre-vingt-dix (katre-vijn-DIES) of nonante (non-ANT) in België en Zwitserland
100 
cent (san)
200 
deux cent (deu san)
300 
trois cent (trwa san)
1000 
mille (miel)
2000 
deux mille (deu miel)
1.000.000 
un million (uhn miel-JON)
1.000.000.000 
( )
1.000.000.000,000 
( )
nummer _____ (trein, bus, enz.
numéro _____ (nu-mee-RO)
half 
demi (de-MIE) of moitié (mwa-tjee)
minder 
moins (mwan)
meer 
plus (plu)

Tijd[bewerken]

nu 
maintenant (mentenan)
later 
après (aprè)
voor 
avant (avan)
ochtend 
le matin (lù matèn)
middag 
l'après-midi (laprè-miedie )
avond 
le soir (lù zwaar)
nacht 
la nuit (la nwie )
Klok[bewerken]
Eén uur 's nachts 
Il est une heure (Iel e uunuh eur)
Twee uur 's ochtends 
Il est deux heures (Iel e duh eur)
Twaalf uur 's middags 
Il est midi (Iel e mie-DIE)
Eén uur 's middags 
Il est une heure (Iel e uunuh eur)
Twee uur 's middags 
Il est deux heures (Iel e duh eur )
Twaalf uur 's nachts 
Il est minuit (Iel e mien-WIE)
Duur[bewerken]
_____ minu(u)te(n) 
_____ Minute(s) (mienuut)
_____ u(u)r(en) 
_____ Heure(s) (eur)
_____ dag(en) 
_____ Jour(s) (zjoer)
_____ we(e)k(en) 
_____ Semaine(s) (semèn)
_____ maand(en) 
_____ Mois (mwa)
_____ ja(a)r(en) 
_____ an(s)/année(s) (an/anee)
Dagen[bewerken]
vandaag 
aujourd'hui (oo-zjordwie)
gisteren 
hier (hie-jer)
morgen 
demain (dùmèn)
deze week 
cette semaine (cettuh semèn)
vorige week 
la semaine dernière (la semèn dernjèr)
volgende week 
la semaine prochaine (la semèn prosjèn)
maandag
lundi (lun-DIE)
dinsdag
mardi (mag-DIE)
woensdag
mercredi (meg-kru-DIE)
donderdag
jeudi (zjeu-DIE)
vrijdag
vendredi (van-dre-DIE)
zaterdag
samedi (sa-me-DIE)
zondag
dimanche (die-MANSJ)
Maanden[bewerken]
januari 
janvier (zjanvie-ee)
februari 
février (feevrie-ee)
maart 
mars (mar)
april 
avril (avriel)
mei 
mai (mee)
juni 
juin (zjuu-in)
juli 
juillet (zjuu-ie-ee)
augustus 
août (oet)
september 
septembre (septembruh)
oktober 
octobre (octobruh)
november 
novembre (novembruh)
december 
décembre (deecembruh)

Kleuren[bewerken]

Opmerking: zoals in andere romaanse talen zijn zelfstandige naamwoorden ofwel mannelijk ofwel vrouwelijk en worden de bijvoeglijke naamwoorden overeenkomstig vervoegd.

zwart 
noir/noire (nwaar)
wit 
blanc/blanche (blang/blansh)
grijs 
gris/grise (grie/griez)
rood 
rouge (roezj)
blauw 
bleu/bleue (bleu)
geel 
jaune (zjoon)
groen 
vert/verte (veir/vert)
oranje 
orange (o-RANZJ)
paars 
violet/violette (vie-o-LEH/vie-o-LET)
bruin 
brun/brune (bruh/bruun) of marron (mah-RONG)

Vervoer[bewerken]

Trein en bus[bewerken]

Hoeveel kost een kaartje naar _____? 
Ça coûte combien, un billet à _____? (Sa koet kombie-uhn, uh bie-jee à)
Een kaartje naar _____, alstublieft. 
Un billet à_____, si'l vous plaît. (uh bie-jee à_____, siel voe plè)
Waar gaat deze trein/bus naartoe? 
 ? ( )
Waar is de trein/bus naar _____? 
 ? ( )
Stopt deze trein/bus in _____? 
 ? ( )
Wanneer vertrekt de trein/bus naar_____ ? 
 ? ( )
Wanneer komt de trein/bus aan in _____? 
( )

Richtingen[bewerken]

Hoe kom ik in _____ ? 
 ? ( )
...het station? 
la gare (la kaar)
...de bushalte? 
 ? l'arrêt de bus ( larreh de buus)
...de luchthaven? 
l'aeroport (ajropor)
...het stadscentrum? 
le centre-ville (luh sentruh viel)
...de jeugdherberg? 
l'auberge de jeunesse (looberzje de zjeuness)
...het _____ hotel? 
l'hôtel_____ (lotel)
...het Nederlands/Belgisch/Surinaams consulaat? 
 ? ( )
Waar zijn er veel... 
Où sont beaucoup des... (Oe so boekoe dee)
...hotels? 
hôtels? (otel)
...restaurants? 
restaurants (restauran)
...cafés? 
cafés (kafee)
...bezienswaardigheden? 
 ? ( )
Kunt u het op de kaart aanduiden? 
Vous pouvez désigner à la carte? (Voe poevee deesinjee à la kart)
straat 
rue (ruu)
Links afslaan. 
à gauche (à goesj)
Rechts afslaan. 
à droite (à drwat)
links 
gauche (kau-ZJUH)
rechts 
droite (drooi-TUH)
rechtdoor 
tout droit (toe drwat)
richting de _____ 
( )
voorbij de _____ 
( )
voor de _____ 
( )
Let op de/het _____. 
. ( )
kruispunt 
carrefour (karruhfoer)
noord 
nord (nor)
zuid 
sud (suud)
oost 
est (è)
west 
ouest (oe-è)
bergop 
( )
bergaf
( )

Taxi[bewerken]

Taxi! 
Taxi! (Taksie)
Breng me naar _____, alstublieft. 
Portez-moi à _____ , si'l vous plaît. (portee mwa à_____ , siel voe plè)
Hoeveel kost het om naar _____ te rijden? 
 ? ( )
Breng me daarheen, alstublieft. 
. ( )

Slapen[bewerken]

Heeft u nog kamers beschikbaar? 
 ? ( )
Hoeveel kost een kamer voor één persoon/twee personen? 
 ? ( )
Beschikt de kamer over... 
( )
...lakens? 
 ? ( )
...een WC?
des toilettes (dee toilet)
...een badkamer? 
une salle de bains (uunuh sal duh bèn)
...een telefoon? 
un téléphone (uh teeleefon)
...een televisie? 
une télé (uunuh teelee)
Mag ik de kamer eerst even zien? 
 ? ( )
Heeft u niets rustiger? 
 ? ( )
...groter? 
...plus grand(e)? (pluu gran)
...schoner? 
 ? ( )
...goedkoper? 
...moins cher? (mwan sjèr)
Oké, ik neem het. 
D'accord, je prends. (dakkor, zje pruhn)
Ik blijf _____ nacht(en). 
Je reste _____ nuit(s). (zje rest_____ nwie)
Kunt u mij een ander hotel aanbevelen? 
 ? ( )
Heeft u een kluis? (voor waardevolle bezittingen
 ? ( )
...kluisjes? (voor kleding
 ? ( )
Is het ontbijt/avondeten inbegrepen? 
 ? ( )
Hoe laat is het ontbijt/avondeten? 
 ? ( )
Wilt u mijn kamer schoonmaken? 
 ? ( )
Kunt u me wakker maken om _____ uur? 
 ? ( )
Ik wil uitchecken. 
. ( )

Geld[bewerken]

Kan ik met Amerikaanse dollars betalen? 
Je peux payer avec des dollars américains? (Zje peu pajee avek dee dollar ameerikèn)
Kan ik met Britse ponden betalen? 
Je peux payer avec des livres britannique? (Zje peu pajee avek dee lievruh britaniek)
Kan ik met euro's betalen? 
Je peux payer avec des euros? (Zje peu pajee avek deez uuro)
Kan ik met een credit card betalen? 
Je peux payer avec une carte de crédit? (Zje peu pajee avek uunuh kart duh kreedie)
Kunt u geld voor me wisselen? 
Vous pouvez me changer d'argent? (Voe poevee muh sjargee darsjan)
Waar kan ik geld wisselen? 
 ? ( )
Kan ik hier traveler's cheques inwisselen? 
 ? ( )
Waar kan ik traveler's cheques inwisselen? 
( )
Wat is de wisselkoers? 
 ? ( )
Waar is er een geldautomaat? 
 ? ( )

Eten[bewerken]

Een tafel voor één persoon/twee personen, alstublieft. 
Un table pour un/deux (personne/s) s'il vous plaît . (Uhn taabluh poer uhn/deu (personne) siel voes plèt )
Mag ik de menukaart even zien? 
Puis-je regarder le menu? . (Peuzje ruhgardee luh meenu? )
Mag ik een kijkje nemen in de keuken? 
. ( )
Is er een specialiteit van het huis? 
Est-ce qu'il y a un specialité? (es kiel ie ja uh specialitee)
Is er een streekgerecht? 
 ? ( )
Ik ben vegetariër. 
Je suis végétarien/végétarienne. (zjuh swie veezjeetarie-uhn/veezjeetarie-èn)
Ik eet geen varkensvlees. 
Je ne mange pas de viande de porc . ( Zje ne manzj pa duh viand duh pork)
Ik eet geen rundvlees. 
. ( )
Ik eet alleen koosjer. 
. ( )
Kunt u dat met minder olie/boter/vet maken, alstublieft? 
 ? ( )
vast menu 
( )
à la carte 
à la carte (aa la cart)
ontbijt 
petit déjeuner (petie deezjeunee)
lunch 
déjeuner (deezjeunee)
afternoontea (maaltijd
( )
avondeten 
dîner (dienee)
Ik wil graag _____. 
Je voudrais _____ (Zje voedrè)
Ik wil graag een gerecht met _____. 
Je voudrais une nourriture avec_____ (Zje voedrè uunuh noerrituur avek_____)
kip 
(du) poulet ( (duu) poelee)
rundsvlees 
( )
vis 
(du) poisson ( (duu) pwasoh)
ham 
(du) jambon ( (duu) zjambo)
worst 
saucisse ( soosiess)
kaas 
(du) fromage (fromaazj)
eieren 
(des) oeufs (uf)
salade 
salade (salaad)
(verse) groenten 
légumes frais (lekuumuh frè)
(vers) fruit 
fruit frais (frwie frè)
brood 
pain (pèn)
geroosterd brood 
( )
noedels 
( )
rijst 
(du) riz ( rie)
bonen 
( )
Mag ik een glas _____? 
Je peux un verre_____ (Zje peu uh ver_____)
Mag ik een kopje _____? 
 ? ( )
Mag ik een fles _____? 
Je peux une bouteille_____ (Zje peu uunuh boetei-je_____)
koffie 
café (kafee)
thee 
thé (tee)
sap 
jus (sjuu)
koolzuurhoudend water 
( )
mineraalwater 
eau minérale (oo mieneraal)
bier 
la bière ( la bie-èr)
rode/witte wijn
vin blanc/rouge (vih blank/roesj)
Mag ik wat _____? 
Puis-je quelque ? ( pwie zje kelkuh)
zout 
sel ( sèl)
zwarte peper 
poivre noir ( pwaavruh nwaar)
boter 
beurre (beur)
Ober! 
Garçon ! ( )
Ik ben klaar. 
Je suis fini/finie. (Zje swie fienie)
Het was heerlijk. 
C'était délicieux. (Seetè deeliesie-eu)
Kunt u de borden afruimen? 
 ? ( )
De rekening, alstublieft. 
. ( )

Uitgaan[bewerken]

Serveert u alcohol? 
Servez-vous d'alcool? ( servee voe dalkol)
Is er bediening aan tafel? 
 ? ( )
Een biertje/twee biertjes, alstublieft. 
Une bière/Deux bières, s'il vous plaît. ( uun bie-èruh/dù bie-èruh, siel voe plè)
Een glas rode/witte wijn, alstublieft. 
Un verre du vin rouge/blanc (uh ver duu vi roesj/blank)
Een vaasje, alstublieft 
. ( )
Een fles, alstublieft. 
une bouteille, si'l vous plaît. (uunuh boetei-je, siel voe plè)
_____ (sterke drank) met _____ (toegevoegde drank), alstublieft. 
. ( )
whisky 
( )
wodka 
( )
rum 
( )
water 
eau (oo)
sodawater 
( )
tonic 
( )
sinaasappelsap 
jus d'orange (sjuu doransj)
cola 
coca (koka)
Heeft u bittergarnituur? 
 ? ( )
Nog eentje, alstublieft. 
. ( )
Nog een rondje, alstublieft. 
. ( ')
Wanneer gaat u dicht? 
 ? ( )
Proost! 
 ! ( )

Winkelen[bewerken]

Heeft u dit in mijn maat? 
 ? ( )
Hoeveel kost dat? 
Ça coûte combien? (Sa koet kombie-en)
Dat is te duur. 
C'est trop cher! (Sè tro sjer)
Wilt u het voor _____verkopen? 
 ? ( )
duur 
cher (sjer)
goedkoop 
bon marché (bon marsjee)
Dat kan ik mij niet veroorloven. 
. ( )
Ik wil het niet. 
. ( )
U bedriegt me. 
. ( )
Ik ben niet geïnteresseerd. 
Je ne suis pas interessé(e) ( )
Oké, ik neem het. 
Bien, je le prend . ( )
Mag ik een tasje? 
Est-ce que je pourrais avoir un petit sac ? ( )
Bezorgt u (overzee)? 
( )
Ik wil graag... 
Je voudrais... (Zje voedrè)
...tandpasta. 
. ( )
...een tandenborstel. 
. ( )
...tampons. 
. ( ')
...zeep. 
savon. ( )
...shampoo. 
. ( )
...een pijnstiller. 
. ( )
...een middel tegen verkoudheid. 
( )
...maagtabletten. 
... ( )
...scheermesjes
. ( )
...een paraplu. 
un parapluie . ( )
...zonnebrandcrème. 
. ( )
...een ansichtkaart. 
. ( )
...postzegels. 
. ( )
...batterijen. 
. ( )
...schrijfpapier. 
. ( )
...een pen. 
un stylo (uh stielo)
...Nederlandstalige boeken. 
des livres néerlandophone (dee livruh neerlandofon)
...Nederlandstalige tijdschriften. 
une revue néerlandaise (uunuh reevuu neerlandèsuh)
...een Nederlandstalige krant. 
un journal néerlandais (uh joernal neerlandè)
...een Nederlands-Frans woordenboek. 
un dictionnaire Néerlandais-Français (uh diksionèr neerlandè-fransè)

Rijden[bewerken]

Ik wil een auto huren. 
Je veux louer une voiture. (Zje veu loe-ee uunuh vwatuur)
Kan ik het laten verzekeren? 
 ? ( )
stop! 
arrête! (arrèt)
éénrichtingsstraat 
( )
voorrang verlenen
donner priorité (donnee priorietee)
parkeerverbod
( )
snelheidslimiet 
la vitesse réduite (la vietes reedwietuh)
tankstation 
( )
benzine
l'essence (lessensuh)
diesel 
le gasoil (luh kaswal)

Autoriteiten[bewerken]

Ik heb niets verkeerds gedaan. 
. ( )
Het was een misverstand. 
. ( )
Waar brengt u me naartoe? 
 ? ( )
Ben ik gearresteerd? 
 ? ( )
Ik ben Nederlands/Belgisch/Surinaams staatsburger. 
( )
Ik wil praten met de Nederlandse/Belgische/Surinaamse ambassade/consulaat. 
( )
Ik wil met een advocaat spreken. 
( )
Kan ik niet gewoon nu een boete betalen? 
( )
Dit artikel is nog geheel in opbouw. Het bevat een sjabloon, maar nog niet genoeg informatie om bruikbaar te zijn voor een reiziger. Duik erin en breid het uit!